Adam en Eva, nu levend buiten de hof, raken in verwachting en is het eerste gezin in de bijbel een feit.
Kaxefn en Abel groeien als broers samen op waarbij Kaxefn een landbouwer wordt en Abel als veehouder zijn werk heeft.
Dit gedeelte in Genesis 4 beschrijft hoe beiden God een offer brengen vanuit de opbrengst van hun werk, een beeld wat spreekt over onze aanbidding aan God en tegelijkertijd over het aan God geven van datgene waarvoor we gewerkt hebben.
Mark Driscoll beschrijft hoe zowel Kaxefn als Abel niet met lege handen komen, dat onze aanbidding betekend dat we iets van uit onszelf aan God geven.
Hoe is dit bij ons? Als we samenkomen als kerk? Komen we dan met een bereidheid om iets vanuit onszelf te geven? Is er een betrokkenheid en verwachting waarmee we komen? Hoe is het in onze relatie met God? Gaat het er om dat we iets willen ontvangen?
Vele commentaren beschrijven dat het verschil in het offer tussen Kaxefn en Abel lag in het soort offer dat ze brachten (Abel een offer dat met bloed gepaard ging en Kaxefn datgene waarbij geen bloed gevloeid had), maar volgens 1 Johannes 3:12 en Hebreexebn 11:4 had het te maken met jaloersheid en ongeloof bij Kaxefn.
Het ging er dus niet om wat ze in hun handen hadden maar over dat wat er in hun hart zat. Met welk hart en motief kwamen ze om de Heer te aanbidden?
Het is heel goed mogelijk om met x91volle handenx92 te komen, met een blij gezicht en uitbundigheid en in de ogen van anderen een aantrekkelijke houding en toch met een verkeerd motief. Als er jaloersheid speelt en het niet gunnen van een plaats aan anderen, of datgene wat jij brengt en doet beter is dan wat een ander x91brengtx92.
In de ogen van anderen kunnen we hier nog mee wegkomen, maar niet bij God. Hij kijkt nooit naar de buitenkant maar ziet altijd het hart.
Wat een sobere gedachte aan het begin van de schepping, bij het eerste plaatje wat de bijbel ons geeft als het gaat om aanbidding.
Het is een goed moment om onze motieven te onderzoeken, of er ergens sprake van jaloezie of ongeloof is waardoor we niet echt op een plaats komen van oprechte aanbidding van God.
Adam en Eva, nu levend buiten de hof, raken in verwachting en is het eerste gezin in de bijbel een feit.
Kaxefn en Abel groeien als broers samen op waarbij Kaxefn een landbouwer wordt en Abel als veehouder zijn werk heeft.
Dit gedeelte in Genesis 4 beschrijft hoe beiden God een offer brengen vanuit de opbrengst van hun werk, een beeld wat spreekt over onze aanbidding aan God en tegelijkertijd over het aan God geven van datgene waarvoor we gewerkt hebben.
Mark Driscoll beschrijft hoe zowel Kaxefn als Abel niet met lege handen komen, dat onze aanbidding betekend dat we iets van uit onszelf aan God geven.
Hoe is dit bij ons? Als we samenkomen als kerk? Komen we dan met een bereidheid om iets vanuit onszelf te geven? Is er een betrokkenheid en verwachting waarmee we komen? Hoe is het in onze relatie met God? Gaat het er om dat we iets willen ontvangen?
Vele commentaren beschrijven dat het verschil in het offer tussen Kaxefn en Abel lag in het soort offer dat ze brachten (Abel een offer dat met bloed gepaard ging en Kaxefn datgene waarbij geen bloed gevloeid had), maar volgens 1 Johannes 3:12 en Hebreexebn 11:4 had het te maken met jaloersheid en ongeloof bij Kaxefn.
Het ging er dus niet om wat ze in hun handen hadden maar over dat wat er in hun hart zat. Met welk hart en motief kwamen ze om de Heer te aanbidden?
Het is heel goed mogelijk om met x91volle handenx92 te komen, met een blij gezicht en uitbundigheid en in de ogen van anderen een aantrekkelijke houding en toch met een verkeerd motief. Als er jaloersheid speelt en het niet gunnen van een plaats aan anderen, of datgene wat jij brengt en doet beter is dan wat een ander x91brengtx92.
In de ogen van anderen kunnen we hier nog mee wegkomen, maar niet bij God. Hij kijkt nooit naar de buitenkant maar ziet altijd het hart.
Wat een sobere gedachte aan het begin van de schepping, bij het eerste plaatje wat de bijbel ons geeft als het gaat om aanbidding.
Het is een goed moment om onze motieven te onderzoeken, of er ergens sprake van jaloezie of ongeloof is waardoor we niet echt op een plaats komen van oprechte aanbidding van God.
Henk Kersten